Welke zilveren munten zijn er en wat zijn ze waard?
Over Nederlandse zilveren munten doen veel halve waarheden de ronde. Het beeld dat "oude guldens altijd zilver zijn" klopt niet, en het beeld dat "munten pas waardevol zijn als ze heel oud zijn" klopt ook niet. Wat wel klopt is dat de jaartallen bepalend zijn. De Nederlandse munt heeft in de twintigste eeuw twee keer een duidelijke knip gemaakt in het gebruik van zilver, en die twee momenten bepalen bijna alles.
De eerste knip ligt rond de Tweede Wereldoorlog. Guldens en rijksdaalders van vóór die tijd zijn geslagen in een hoog zilvergehalte van 945/1000. Een gulden uit die periode weegt ongeveer 10 gram, een rijksdaalder van 2½ gulden ongeveer 25 gram. Dat maakt vooroorlogse rijksdaalders per stuk de zwaarste zilverdragers van het Nederlandse muntgeld: bijna 24 gram fijn zilver in één munt.
De tweede knip ligt in de tweede helft van de jaren zestig. Na de oorlog werden guldens en rijksdaalders opnieuw in zilver geslagen, maar met een lager gehalte van 720/1000. De naoorlogse gulden weegt ongeveer 6,5 gram, de naoorlogse rijksdaalder ongeveer 15 gram. Daarna stopte het: de gulden ging in 1967 over op nikkel en de rijksdaalder volgde in 1969. Een gulden met jaartal 1968 of later en een rijksdaalder met jaartal 1970 of later bevatten geen zilver. Ze zijn niet waardeloos als verzamelobject in topstaat, maar ze hebben geen materiaalwaarde. Dat is het punt waar de meeste mensen zich op verkijken, omdat een nikkelen rijksdaalder er op afstand net zo grijs en zwaar uitziet als een zilveren.
Ook het kleingeld speelt mee. Dubbeltjes en kwartjes uit de vooroorlogse en oorlogsjaren zijn geslagen in een gehalte rond 640/1000. Per munt gaat het om weinig zilver, maar mensen bewaren kleingeld zelden per stuk. Een koektrommel met een paar honderd oude dubbeltjes en kwartjes vertegenwoordigt bij elkaar een reëel gewicht, en dat is een van de meest onderschatte posten die wij op tafel zien komen.
Verder zijn er de latere herdenkings- en jubileummunten. De zilveren tientjes uit 1970 en de tientjes en vijftig-guldenstukken die in de jaren tachtig en negentig zijn uitgegeven ter gelegenheid van jubilea en verdragen, zijn wél zilver en meestal in een hoger gehalte dan het gewone circulatiegeld. Deze munten zijn in grote oplagen geslagen, dus ze zijn niet zeldzaam, maar hun zilvergewicht is substantieel. En dan zijn er de moderne beleggingsmunten: Maple Leafs, Philharmonikers en Silver Eagles van een troy ounce, geslagen in bijna zuiver zilver van 999/1000 of hoger. Die zijn eenvoudig te waarderen, omdat ze precies één ounce fijn zilver bevatten en wereldwijd verhandelbaar zijn.
| Munt | Periode met zilver | Gehalte | Gewicht |
|---|---|---|---|
| Rijksdaalder 2½ gulden | tot en met de vooroorlogse jaargangen | 945/1000 | ± 25 gram |
| Rijksdaalder 2½ gulden | naoorlogs tot en met 1966 | 720/1000 | ± 15 gram |
| Gulden | vooroorlogse jaargangen | 945/1000 | ± 10 gram |
| Gulden | naoorlogs tot en met 1967 | 720/1000 | ± 6,5 gram |
| Kwartje en dubbeltje | vooroorlogs en oorlogsjaren | 640/1000 | ± 3,5 en 1,4 gram |
| Zilveren tientje 1970 | eenmalige uitgifte | 720/1000 | ± 25 gram |
| Herdenkings-vijftigje | jaren tachtig en negentig | 925/1000 | ± 25 gram |
| Maple Leaf, Philharmoniker, Eagle | moderne beleggingsmunt | 999/1000 of hoger | 31,1 gram |
Gewichten en gehaltes zijn richtwaarden per munttype. Bij zeldzame jaargangen en afwijkende slagen controleren wij de munt afzonderlijk in plaats van op het type af te gaan.
Materiaalwaarde versus numismatische waarde
Elke zilveren munt heeft een bodem: de materiaalwaarde. Die rekent u uit met gewicht maal gehalte maal de dagkoers van zilver. Een naoorlogse rijksdaalder van 15 gram met een gehalte van 720/1000 bevat bijna 11 gram fijn zilver, en dat gewicht is objectief en verifieerbaar. Boven die bodem kan een tweede waarde liggen: de numismatische waarde, de prijs die verzamelaars betalen omdat ze juist dit exemplaar willen.
Numismatische waarde ontstaat uit schaarste en staat. Een lage oplage in een bepaald jaar, een muntteken dat maar kort gebruikt is, een proefslag, of een munt die vrijwel ongecirculeerd is gebleven: dan kan de prijs een veelvoud van het zilvergewicht zijn. Bij een handvol Nederlandse jaargangen is dat verschil groot genoeg dat het onverantwoord zou zijn de munt op gewicht af te rekenen.
Maar het omgekeerde komt veel vaker voor, en daar zijn we net zo duidelijk over. De meeste munten die mensen bewaren zijn in grote oplagen geslagen en flink gecirculeerd. Dan is de zilverwaarde de waarde, en verandert de gebruikte munt daar niets aan. Ook de moderne beleggingsmunten en de herdenkingsseries uit de jaren tachtig en negentig zijn in zulke aantallen geslagen dat verzamelaars ze zelden boven de zilverprijs kopen.
Nog een misverstand dat we vaak tegenkomen: poetsen. Een gepoetste munt oogt mooier maar verliest juist verzamelwaarde, omdat het originele oppervlak beschadigd raakt. Wie vermoedt iets bijzonders in bezit te hebben, laat de munt dus met patina en al beoordelen en gaat er niet eerst met een doekje over.
Hoe herkent u een zilveren munt?
Vier eenvoudige controles brengen u een heel eind, zonder dat u iets beschadigt.
- Het jaartal eerst. Bij Nederlands muntgeld is dit de snelste en betrouwbaarste controle. Gulden tot en met 1967 en rijksdaalder tot en met 1966: zilver. Daarna: nikkel. Voordat u iets weegt of beklopt, leest u dus het jaartal.
- Gewicht. Zilver is zwaarder dan nikkel. Een keukenweegschaal op tienden van grammen is al bruikbaar: wijkt het gewicht meer dan een fractie af van de richtwaarde voor dat munttype, dan is er iets aan de hand — een andere legering, of slijtage.
- Klank. Een zilveren munt die u op de rand op een harde ondergrond laat tikken, geeft een lange, heldere en hoge toon die nazingt. Nikkel klinkt korter en doffer. Dit is geen bewijs, maar het is een goede eerste indruk.
- Rand en stempel. Bekijk de rand. Bij een verzilverde of samengestelde munt ziet u soms een koperkleurige kern als een streepje in de rand. Nederlandse zilveren munten hebben daarnaast randschrift of kastanjes, en een muntmeesterteken en muntteken die bij het jaartal horen te passen. Bij beleggingsmunten staat het gehalte meestal letterlijk op de munt.
Wat u vooral niet doet: krassen, vijlen of zuur gebruiken. Dat beschadigt de munt onherstelbaar en drukt de waarde. Wij testen het gehalte met apparatuur die niets aan de munt verandert.
Wanneer gaat u beter naar een muntenspecialist?
Wij kopen munten in op zilverwaarde, met erkenning van verzamelwaarde waar die duidelijk aanwezig is. Maar wij zijn niet in alle gevallen de beste partij, en dat zeggen we liever vooraf dan achteraf.
Ga naar een gespecialiseerde muntenhandelaar of een numismatische veiling wanneer u een compleet uitgezochte collectie in albums heeft met per jaargang één exemplaar, wanneer er munten van vóór de negentiende eeuw tussen zitten, wanneer u gecertificeerde munten in een gesloten houder met een gradering heeft, of wanneer er provenance-papieren bij horen. In die gevallen zit de waarde in de samenstelling en de documentatie, en een specialist met een eigen verzamelaarspubliek haalt daar meer uit dan een inkoper.
Bij ons bent u goed op uw plek wanneer u een gemengde partij heeft, een erfenis met los muntgeld, een pot oude dubbeltjes en kwartjes, beleggingsmunten, of wanneer u simpelweg snel en zonder wachten op een veiling wilt afhandelen. Twijfelt u tot welke groep uw munten horen? Laat het gratis bekijken. Als wij vinden dat u elders beter uitkomt, zeggen we dat, en dan hoeft u niets te verkopen.
Buitenlandse zilveren munten
In Nederlandse huishoudens ligt veel buitenlands muntgeld, vaak vakantiegeld van voor de euro of meegenomen door familie. Ook daar geldt dat het jaartal bepaalt of er zilver in zit.
- Duitse mark. De West-Duitse 5 mark uit de jaren vijftig tot halverwege de jaren zeventig is geslagen in 625/1000 zilver en weegt ruim elf gram. De 10-markstukken die vanaf de jaren zeventig als herdenkingsmunt zijn uitgegeven, bevatten eveneens zilver, in wisselende gehaltes. Latere circulatiemarken zijn van onedel metaal.
- Belgische frank. De naoorlogse 20, 50 en 100 frank uit de periode rond 1948 tot midden jaren vijftig zijn geslagen in 835/1000 zilver. Latere frankstukken zijn nikkel en bevatten geen zilver.
- Amerikaanse dollars. Amerikaans kleingeld van vóór 1965 — dimes, quarters en half dollars — is geslagen in 900/1000 zilver. Half dollars uit de jaren daarna hebben tijdelijk een lager gehalte gehad en daarna geen zilver meer. De grote zilveren dollars uit de negentiende en vroege twintigste eeuw wegen bijna 27 gram in 900/1000 en zijn vaak ook voor verzamelaars interessant.
Bij buitenlandse munten laten we het jaartal en het type altijd naast de weegschaal en de gehaltetest lopen, omdat er per land veel varianten en herslagen bestaan. Onbekend muntgeld is dus geen probleem: leg het erbij, dan zoeken we het uit.
Munten verkopen in Rotterdam
Voor Rotterdam en de omliggende gemeenten werkt het bij ons in twee stappen. U begint met een gratis beoordeling op basis van foto's, waarbij u de munten met de voor- en achterzijde en het jaartal in beeld legt. Op basis daarvan geven we een onderbouwde indicatie en zeggen we welke munten we apart willen bekijken. Daarna volgt de definitieve beoordeling met weegschaal en gehaltetest, waarbij u meekijkt en per post ziet hoe het bedrag is opgebouwd.
Wij hebben geen eigen winkel in Rotterdam. Dat is geen tekortkoming die we willen verbergen: het betekent dat u kiest tussen gratis verzekerd opsturen of een afspraak op onze taxatielocatie in Amsterdam. Op de locatiepagina leest u precies hoe dat werkt en welke route voor u het handigst is.
Bekijk hoe verkopen vanuit Rotterdam verloopt · Alle munten in één overzicht · Gouden munten verkopen


